Boek voorvertoning

Inspiratie en motivatie

De geschiedenis van de labrador retriever begint rond het jaar 1500. De Britten bouwden toen hun eerste nederzettingen op een eiland in het noord-oosten van Canada dat zij Newfoundland noemden. Men vermoedt dat de vissers en jagers Uit archeologische vondsten is namelijk gebleken dat er op Newfoundland voor die tijd nauwelijks honden leefden. De honden die door de kolonisten werden meegebracht, waren waarschijnlijk de enige honden in Newfoundland. Door de eeuwen heen werden honden gefokt en getraind om aan de behoeften van hun eigenaren te voldoen. Uit de verschillende hondenrassen kwamen de Newfoundlander en de St. John’s hond voort. Zij waren het product van hun omgeving en van natuurlijke selectie. De Newfoundlander was groot en zwaar gebouwd en had een dikke, langharige vacht. Hij werd vooral gebruikt als trek- en waakhond. De St. John’s hond was kleiner en kwam het vaakst voor in de havenplaatsen.

Deze St. John’s hond, vernoemd naar de havenen hoofdstad van Newfoundland, wordt vaak gezien als de voorouder van de labrador retriever. Deze middelgrote hond kwam alleen voor in het zwart en had een witte vlek op de borst en witte vlekjes op de tenen. Hij had een korte, waterdichte vacht, die bestand was tegen het ijskoude water en waarin geen ijsklontjes konden ontstaan. Zijn staart was kort, dik en rond van vorm. Door zijn stevige ledematen was hij in staat zware last voort te trekken en kon hij goed apporteren. De honden hielpen de vissers bij het slepen van de netten, het ophalen van vissen die door de netten waren geglipt en het apporteren van over boord gevallen voorwerpen. Het was een hond die het zijn baas graag naar de zin maakte en dol was op zijn werk in het koude water. Na het werk ging hij met de baas mee naar huis en speelde daar met de kinderen.

De vissersboten voeren regelmatig tussen Newfoundland en de havenstad Poole, in Dorset, ZuidEngeland, waar de vissers hun gezouten kabeljauw verkochten. De honden voeren dan vaak mee. De Engelse edellieden waren zeer onder de indruk van de talenten van St. John’s honden. Omdat ze zo goed konden apporteren, gewend waren aan koud water en goed konden zwemmen, waren ze uitermate geschikt voor de jacht op watervogels. Rond 1818 kocht de tweede graaf van Malmesbury een aantal honden van de kapitein van een vissersboot. Hij bleef de honden importeren en besloot ze te fokken om het ras in stand te houden. De derde graaf van Malmesbury zette de kennel later voort.

Download het volledige E-book